KEURMERK OPVANG VOOR KLEINE DIERENOPVANGCENTRA

Beoordeling van grote en kleine dierenopvangcentra ten behoeve van het Keurmerk Opvang vraagt om een angepaste aanpak. Die is hiervoor ingericht.

De wetgever maakt geen onderscheid tussen Groot en Klein, wel tussen bedrijfsmatig of niet bedrijfsmatig. De niet-bedrijfsmatige dierenopvang wordt ook door het Keurmerk Opvang niet aangesproken. Het Keurmerk Opvang richt zich zowel op de grote als ook de kleine bedrijfsmatige dierenopvangcentra.

Het Keurmerk Opvang kent geen differentiatie op de DOELVOORSCHRIFTEN: Het welzijn van het dier is in alle gevallen het ijkpunt voor het keurmerk. Vraagstukken rond bedrijfsvoering c.q. (beperkte) bedrijfsmatigheid worden daarbij op passende manier gewogen. Open normen blijven vergaand hetzelfde: aanpassingen betreffen bijvoorbeeld algemene open normen, waarin de grens tussen Groot en Klein wordt benoemd.

Het verschil tussen de grote en de kleine opvangcentra bestaat in praktijk zeker wel. Risico’s vanuit het proces en ook directe risico’s voor de dieren zijn deels feitelijk anders. Kleine opvangcentra zijn minder complex. Aan de andere kant ontstaan er juist door de kleinschaligheid risico’s.

De invulling van werkzaamheden en taken kan bij kleine DOC anders liggen: Doordat processen in kleinere opvangen gemiddeld minder complex zijn kunnen vergelijkbare resultaten met minder / een andere vorm van inspanning worden bereikt. De vraagstelling in het self-assessment houdt hier dan rekening mee. Vanuit deze benadering is voor de kleine DOC het self-assessment aangepast: Ietwat minder vragen, maar voor een aantal open normen vooral andere vragen.

Aandachtspunt is, dat het Keurmerk Opvang zowel voor kleine als ook voor grote opvangcentra interessant moet zijn. Grens tussen Groot en Klein wordt in eerste instantie op basis van ervaringswaarden getrokken. (Het is niet helemaal uit te sluiten, dat deze naar verloop van tijd wordt bijgesteld. Op dat moment zullen er ook passende procedures ontstaan om van een naar het ander over te kunnen stappen).

Essentieel is de kunde van de auditor: die moet in kunnen schatten of dierenwelzijn (en de andere doelen) vanuit het procesniveau, dat bij de opvang past voldoende wordt ingevuld.

DEFINITIE GROOT:

  • meer dan 1 diersoort en/of
  • meer dan 3 medewerkers en/of
  • meer dan 5 vrijwilligers en/of
  • meer dan 200 intakes per jaar
  • meer dan 20 honden of 30 katten of 30 konijnen of 30 knaagdieren tegelijk te verzorgen